Infobord fruitteelt en holle wegen

Fruitteelt

Al eeuwenlang wordt in Haspengouw fruit geteeld. De fruittuinen bij kastelen, abdijen en kloosters waar de kasteelheren, abten en oversten, met behulp van een hovenier zoveel mogelijk nieuwe soorten verzamelden, waren de bakermat van heel wat nieuwe variëteiten.

Boomgaarden lagen meestal bij de hoeve, het vee zorgde voor natuurlijke bemesting en de bomen stonden vrij ver van elkaar. Een grote opbrengst was geen prioriteit: het onderhoud en de verzorging van de bomen bleven beperkt tot een minimum.

In de 18de en 19de eeuw was de klassieke huisweide ook een fruitweide. De boer kweekte er allerhande fruit, deels uit noodzaak, deels voor het plezier. De bomen vroegen weinig verzorging en er waren geen uitgedokterde methodes voor de pluk, het sorteren en het bewaren.

In de 19de eeuw deed de fruitteelt een grote stap vooruit toen het ontwikkelen van nieuwe soorten een favoriete tijdsbesteding werd van kasteelheren en andere vermogende mensen. Selectie, snoeien en het bewaren gebeurden voortaan volgens wetenschappelijke principes.

De ontsluiting van deze streek door tram en trein en de komst van opkopers brachten de eerste vormen van commercialisering. Door de, zij het beperkte, uitvoer ging men het boomgaardenbestand vergroten en wetenschappelijke kennis aanscherpen. In 1936 werd de eerste laagstamplantage aangelegd. De productiviteit bij laagstam is veel hoger dan bij hoogstam. De fruitteelt is door de opkomst van de laagstam, vooral in de jaren ’60, een gespecialiseerde sector geworden. De uniformisering was een voorwaarde voor een succesvolle handel. Daardoor ging in de tweede helft van de 20e eeuw de rijkdom aan fruitsoorten verloren.

Velen denken met heimwee terug aan de intussen schaars geworden hoogstamboomgaarden. Ze zijn parels in het landschap en gonzen ook van het leven. Heel wat dieren vinden er voedsel, rust en een broedplaats. Het uitzicht van de streek is met de komst van de laagstamplantages ingrijpend veranderd. Toch genieten we in de lente van de prachtige bloesems en in het najaar van het lekker fruit.

Holle wegen

Holle wegen ontstonden waar geulen het water van het plateau afvoerden naar de vallei. De geulen werden dieper naarmate er meer water werd afgevoerd. Toen de mensen in de middeleeuwen het leemplateau gingen ontbossen, werd de erosie sterker en versnelde het proces van geulvorming. Later gingen de mensen de geulen gebruiken als weg tussen het dorp en het plateau. De geulen waren immers de gedeelten van de helling die het minst stijl waren. Het gevolg daarvan was dat de erosie nog verscherpt werd: de geulen werden dieper en de taluds geraakten stilaan bebost of bestruikt.

Nu worden holle wegen in hun bestaan bedreigd. Sommigen werden volgestort omdat de aanleg van nieuwe wegen ze overbodig maakten. Vaak worden holle wegen als hinderlijk ervaren voor de landbouw: te smal en te laag voor de moderne machines, moeilijk overbrugbare scheiding in akkers… De huidige landbouwtechnieken maken het bovendien mogelijk vrij dicht in de buurt van de schouders (de bovenste gedeelten) van de holle wegen het land te bewerken. Dit heeft tot gevolg dat de vegetatie aangetast wordt, de mest- of sproeistoffen uitspoelen op de bermen en dat de vegetatie van de holle wegen verruigt of verdwijnt. Deze kan dan zelfs zijdelings instorten. Daarnaast is het belangrijk om de holle wegen opnieuw een schouder te geven, zodat de vegetatie minder aangetast wordt. Holle wegen zijn belangrijke landschapselementen die een schuil- en leefplaats zijn voor talrijke dieren en planten.